Artikel 1 — Toestemming in zedenzaken

Publicatie · Strafrecht · Seksueel strafrecht

Toestemming in zedenzaken — wat verandert sinds de hervorming van 2022?

Door Niels H. Tritsmans · Advocaat bij Kantoor Dikaios · Mei 2026

Sinds 1 juni 2022 kent het Belgische strafrecht voor het eerst een wettelijke definitie van toestemming bij seksuele handelingen. Voor wie ooit betrokken raakt bij een zedenzaak — als slachtoffer, als verdachte, of als raadsman — verandert daarmee fundamenteel wat juridisch telt en wat niet meer telt.

Vóór de hervorming: toestemming zonder definitie

In het oude strafwetboek werd verkrachting omschreven als “elke daad van seksuele penetratie van welke aard ook en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daarin niet toestemt” (art. 375, oud Sw.). De wet zei wát toestemming was, ging zij stilzwijgend over: het was aan de rechtspraak om die leemte op te vullen.

In de praktijk werd “niet toestemmen” doorgaans afgeleid uit verzet — geweld, dwang, bedreiging, of een toestand waarin verzet onmogelijk was geworden. Wie stil bleef tijdens een seksuele handeling, kon zich nadien moeilijk beroepen op het ontbreken van toestemming. De vraag die in onderzoek en op zitting telkens opnieuw werd gesteld, was niet “is er ja gezegd?” maar “is er voldoende neen gezegd?” De bewijslast lag de facto, hoewel niet de jure, bij het slachtoffer.

Die invulling stond al jaren ter discussie. Internationale rechtspraak (waaronder het Istanbul-verdrag van de Raad van Europa) drong erop aan dat lidstaten een actieve, op toestemming gebaseerde definitie zouden hanteren. België schikte zich daarnaar met de Wet van 21 maart 2022 — een tekst die in de praktijk een paradigmaverschuiving betekent.

De Wet van 21 maart 2022 — wat ze concreet zegt

Deze wet, in werking sinds 1 juni 2022, vervangt vrijwel de volledige Titel VI van Boek II van het Strafwetboek. De artikelen 372 tot 386ter van het oude wetboek worden vervangen door een vernieuwde reeks artikelen 417/1 tot 417/56. Centraal staat het nieuwe artikel 417/5, dat voor het eerst in de Belgische strafwet definieert wat toestemming juridisch betekent.

Drie principes dragen die definitie. Eerst: toestemming moet vrij gegeven zijn — niet onder druk, niet onder invloed, niet door misbruik van een gezagsverhouding of een kwetsbare situatie. Tweede: toestemming geldt voor een specifieke handeling op een specifiek moment, niet voor “alles wat erop volgt.” Derde: toestemming kan op elk ogenblik worden ingetrokken — wat eerder is gezegd of getoond, geldt niet langer zodra iemand laat weten dat het ophoudt.

Daarnaast somt §2 van artikel 417/5 situaties op waarin toestemming juridisch nooit aanwezig kan zijn: bij slaap of bewusteloosheid, onder invloed van alcohol of verdovende middelen die het oordeelsvermogen aantasten, onder bedreiging, geweld of vrees, in geval van overvaltechnieken of list, en wanneer er misbruik wordt gemaakt van een kwetsbare positie of een gezagsrelatie. Stilzwijgen, niet-verzet of passiviteit volstaan op zich niet om toestemming af te leiden.

De kern in één zin: de wet keert de juridische vraagstelling om. Niet meer “was er voldoende verzet?” maar “was er actieve, vrije en specifieke toestemming?

Wat dit verandert in onderzoek en op zitting

In het politieverhoor verschuift de aandacht. Onderzoekers vragen nu nadrukkelijk naar wat er gezegd is, hoe de communicatie verliep, of er signalen van twijfel of terugtrekking waren, en of beide partijen elkaars instemming begrepen op het moment van de daad. Een verklaring zoals “ze zei niets, dus ik dacht dat het in orde was” is geen verweer meer — integendeel: het kan worden uitgelegd als bewustzijn dat actieve toestemming ontbrak.

Op zitting verschuift het accent van de fysieke (verzet, sporen, getuigenissen van geluid) naar de relationele dimensie: wat wisten partijen van elkaar, in welke context speelde het zich af, hoe is de aanloop verlopen, en hoe heeft elk van beiden de signalen van de ander gelezen. Voor de verdediging betekent dit dat een louter “betwisten van verzet” niet meer volstaat. Voor de partij die zich slachtoffer noemt, betekent het dat de drempel om aangifte te doen verlaagt, omdat het ontbreken van duidelijk verzet niet meer tegen haar pleit.

De grijze zones die overblijven

Een wet die toestemming centraal stelt, lost daarmee niet alle bewijsproblemen op. Drie zones blijven complex.

Alcohol en intoxicatie. Wanneer iemand “te dronken om het te kunnen wegen” is, kan er geen geldige toestemming bestaan — maar waar precies die lijn ligt, is feitelijk. Tussen volle bewustzijn en bewusteloosheid bestaat een continuüm waarop rechters geval per geval moeten oordelen, met hulp van toxicologisch onderzoek, getuigenissen, en zo mogelijk objectieve gegevens over de inname.

Non-verbale communicatie. Toestemming hoeft niet uitdrukkelijk verbaal te zijn. Een knik, een glimlach, een initiërend gebaar kunnen tellen — op voorwaarde dat ze duidelijk, ondubbelzinnig en op het juiste moment zijn gegeven. De bewijsvoering daarvan is fragiel; de woorden achteraf van beide partijen krijgen meer gewicht dan ooit.

Toestemming binnen langdurige relaties. Routine schept geen toestemming. Een echtgenoot of vaste partner moet evengoed actieve, vrije en specifieke toestemming krijgen voor elke seksuele handeling. De wet maakt geen uitzondering voor wat ooit anders is gegaan. Dat heeft praktische gevolgen voor zaken binnen een (ex-)relatie, waar herinneringen aan vroegere intimiteit makkelijk worden ingeroepen — terecht of onterecht.

Wat dit betekent voor wie tegenover een zedenzaak komt te staan

De hervorming heeft consequenties die voor beide partijen verstrekkend zijn.

Voor wie zich slachtoffer voelt, zorgt de wet voor een rechtsbescherming die beter aansluit bij de realiteit van seksueel geweld: bevriezen (de zogenaamde freeze-respons), niet durven reageren, of meegaan uit angst, ontneemt niet langer de juridische bescherming. De drempel om aangifte te doen verlaagt — maar het proces zelf, met zijn psychische zwaarte, blijft.

Voor wie verdacht wordt, verschuift de verdediging fundamenteel. Het komt niet meer aan op het minimaliseren van het tegenovergestelde, maar op het reconstrueren van wat in de relatie of de ontmoeting daadwerkelijk werd gezegd en gedaan. De allereerste fase — het politieverhoor onder bijstand van een advocaat (Salduz) — is daarbij meer dan ooit beslissend. Wat in die eerste verklaring gezegd wordt, vormt het skelet van het hele dossier. Een doordachte juridische begeleiding vanaf het eerste verhoor is geen luxe; het is de plek waar de zaak vaak gewonnen of verloren wordt.

Tot slot

De Wet van 21 maart 2022 is geen punt achter een hoofdstuk. Ze is het begin van een rechtspraakontwikkeling die de komende jaren zal preciseren wat “vrij”, “specifiek” en “ingetrokken” precies betekenen in feitelijke situaties die het wettelijk kader nooit volledig kan vatten. Hoe rechtbanken die begrippen invullen, zal het dagelijkse strafrecht in deze materie blijven vormgeven.

Voor cliënten die zich aan welke kant ook van een dergelijk dossier bevinden, is één conclusie helder: het nieuwe wettelijke kader is geen abstractie. Het bepaalt concreet wat in een verhoor wordt gevraagd, wat een raadkamer beoordeelt, en wat de rechter ten gronde zal wegen.

Scroll naar boven