Artikel 2 — Drie jaar later: hoe de rechtspraak het toestemmingsbegrip heeft ingevuld

Publicatie · Strafrecht · Seksueel strafrecht

Drie jaar later — hoe de rechtspraak het toestemmingsbegrip heeft ingevuld

Door Niels H. Tritsmans · Advocaat bij Kantoor Dikaios · Mei 2026

Sinds 1 juni 2022 weet iedere strafpleiter wat de wet zegt over toestemming bij seksuele handelingen. Sinds 2025 weet hij ook hoe de hoogste rechtspraak die wet leest. Drie uitspraken — twee uit 2025, één van eind februari 2026 — hebben het Belgisch zedenrecht in iets meer dan tien maanden tijd op drie wezenlijke punten ingekleurd. Wie ooit met een zedenzaak te maken krijgt, moet weten wat zij betekenen.

Vooraf — wat de wet sinds 2022 zegt

De vorige bijdrage op deze website behandelde de kern van de Wet van 21 maart 2022: voor het eerst kent het Belgische strafrecht een wettelijke definitie van toestemming. Toestemming moet vrij gegeven zijn, kan niet uit het uitblijven van verzet worden afgeleid, kan op elk ogenblik worden ingetrokken, en is er in geen geval wanneer het slachtoffer zich in een kwetsbare toestand bevindt — door alcohol, verdovende middelen, slaap, ziekte, dwang of list — en de dader van die toestand gebruik maakt.

Die definitie staat sinds 1 juni 2022 in artikel 417/5 van het oude Strafwetboek. Sinds 8 april 2026 — toen Boek II van het nieuwe Strafwetboek in werking trad — leest men dezelfde tekst onder artikel 132 van het nieuwe wetboek. Inhoudelijk is er niets veranderd. Wat wél is veranderd, is wat de rechters met die tekst doen.

Maart 2025 — Cassatie legt vast dat de nieuwe definitie ook voor oude feiten geldt

Op 12 maart 2025 sprak het Hof van Cassatie zich voor het eerst uit over een vraag die sinds de hervorming in elk strafdossier met “oude” feiten boven het hoofd hing: mag de nieuwe wettelijke definitie van toestemming worden toegepast op feiten die zich vóór 1 juni 2022 hebben afgespeeld? Of, omgekeerd: moet de rechter zich voor die oude feiten beperken tot het regime dat toen gold — geweld, dwang, list, lichamelijk of geestelijk gebrek?

De vraag is geen detail. Onder het oude regime werd het ontbreken van toestemming doorgaans afgeleid uit een limitatieve lijst van omstandigheden. Onder het nieuwe regime is het ontbreken van toestemming zelf het constitutief bestanddeel — een fundamenteel andere logica. Voor feiten van bijvoorbeeld 2020 of 2021 kan dat verschil in een concreet dossier het verschil tussen veroordeling en vrijspraak betekenen.

Het Hof van Cassatie oordeelde dat de nieuwe definitie geen nieuwe incriminatie is en geen verzwaring van bestaande straffen — wat verboden zou zijn op grond van het algemene principe dat een strafwet niet met terugwerkende kracht in het nadeel van een beklaagde mag worden toegepast. Wat de wetgever in 2022 deed, was volgens het Hof in essentie de bestaande rechtspraak codificeren. De nieuwe tekst mag dus onmiddellijk worden toegepast, ook op feiten van vóór 1 juni 2022.

Wat dit concreet betekent. In strafdossiers met feiten van vóór juni 2022 is het niet langer zinvol om de toepassing van het nieuwe toestemmingsbegrip als zodanig aan te vechten. Wél blijft het mogelijk om — in concrete gevallen — aan te tonen dat de feitelijke beoordeling onder het oude regime tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Dat is een fijner werk, maar het is werk dat nog steeds gedaan kan worden.

Juli 2025 — het Grondwettelijk Hof tikt de wetgever op de vingers

Vier maanden later zorgde het Grondwettelijk Hof voor de tweede precedentscheppende uitspraak. De aanleiding was een dossier voor de Franstalige correctionele rechtbank te Brussel, waarin een net meerderjarige beklaagde werd vervolgd voor seksuele betrekkingen met een meisje dat tussen veertien en zestien jaar oud was. Onder de wet van 2022 mogen minderjarigen tussen veertien en zestien jaar geldig toestemmen, op voorwaarde dat het leeftijdsverschil met de seksuele partner niet meer dan drie jaar bedraagt. In het Brusselse dossier was dat verschil net iets meer dan drie jaar, en daarop hing de strafbaarheid van het geheel.

De Brusselse rechtbank vond de gevolgen onaanvaardbaar incoherent. Een persoon kan op de dag vóór zijn achttiende verjaardag straffeloos seksuele betrekkingen hebben met een veertienjarige (omdat tussen minderjarigen onderling de regel anders ligt), en pleegt op de dag zijn verjaardag — bij identieke feiten — verkrachting. Een seksuele relatie die volledig in orde was toen beide partners minderjarig waren, wordt strafbaar op het moment dat de oudere achttien wordt, zonder dat aan de feiten iets verandert.

Het Grondwettelijk Hof gaf de rechtbank gelijk. Bij arrest van 17 juli 2025 stelde het vast dat artikel 417/6, §2 van het Strafwetboek (vandaag artikel 133, §2 van het nieuwe Strafwetboek) het gelijkheidsbeginsel schendt. Het verschil in behandeling tussen jongeren met een leeftijdsverschil van precies drie jaar en jongeren met een verschil van net iets meer is, aldus het Hof, niet redelijk te verantwoorden en leidt tot een kennelijk onevenredige beperking van het recht op seksuele autonomie van jongeren.

Het arrest vernietigt de wettelijke bepaling niet — dat is in een prejudiciële procedure niet de bevoegdheid van het Hof. Maar het verplicht de strafrechter om, in elke concrete zaak waar de drie-jaar-regel doorslaggevend is en tot een ongelijke behandeling zou leiden, die regel buiten toepassing te laten. Voor de wetgever betekent het dat een hervorming van de bepaling op korte termijn niet uit te stellen is.

Februari 2026 — het Hof van Beroep te Brussel scheidt subjectieve bedoeling van objectieve schuld

De derde uitspraak — en wellicht de leerrijkste voor de pleitpraktijk — kwam van het Hof van Beroep te Brussel op 26 februari 2026. Het arrest, gewezen in graad van beroep over een geruchtmakend Leuvens vonnis van 1 april 2025, behandelt een zaak waarin een arts-assistent in opleiding gynaecologie werd vervolgd voor verkrachting en aantasting van de seksuele integriteit van een vrouw die hij in een Leuvens café had ontmoet en die in de loop van de nacht buitensporig veel alcohol had geconsumeerd.

De feiten zijn in de pers uitvoerig besproken. Voor de juridische analyse zijn enkele elementen wezenlijk. De beklaagde verklaarde — en het Hof neemt dat aan — dat hij oprecht meende dat de vrouw had ingestemd. De camerabeelden uit het stadscentrum toonden bovendien dat hij in de uren voor de feiten zorgvuldig met haar was omgegaan: hij had overlegd met de stewards van het café, had haar vriendin tweemaal opgebeld om haar bij die vriendin te kunnen brengen, en had haar pas naar zijn eigen overnachtingsplaats meegenomen toen de vriendin niet had opengedaan.

Het Hof bevestigt niettemin de schuldvaststelling van de eerste rechter. De kern van zijn motivering is dat de wet niet vereist dat de dader de bedoeling had om misbruik te maken van de kwetsbare toestand. Het volstaat dat hij behoorde te weten dat in die omstandigheden — een vrouw die zwaar onder invloed was, herhaaldelijk haar evenwicht verloor, en zich niets meer zou herinneren — van een geldige toestemming geen sprake kon zijn. Dat objectieve “behoren te weten” wordt door het Hof letterlijk als voldoende beschouwd voor de strafbaarheid.

Tegelijk geeft het Hof de subjectieve goede bedoeling van de beklaagde wél gewicht — maar op een ander niveau. Bij het bepalen van de strafmaat houdt het Hof rekening met de zorgvuldige omgang van de beklaagde, met zijn schuldbesef, met de tuchtsanctie die hij ondertussen al had opgelopen, en met de gevolgen die een gevangenisstraf zou hebben voor hem en zijn omgeving. Het Hof bevestigt op die grond de gunst van de opschorting, zonder bijkomende voorwaarden.

De juridische les. Voor de vraag of iemand strafbaar is, telt enkel of hij behoorde te weten dat geen geldige toestemming kon worden gegeven. Voor de vraag hoe zwaar hij daarvoor moet worden gestraft, telt wel of hij subjectief slecht of goed bedoeld handelde. Het is een onderscheid dat de bestaande doctrine nog niet uitdrukkelijk had gemaakt, en het zal de pleitstrategie in elke vergelijkbare zaak hertekenen.

Wat dit voor cliënten betekent

De drie uitspraken samen bevestigen wat sinds de hervorming van 2022 al merkbaar was, maar wat nu rechtsbron is geworden.

Voor wie zich slachtoffer voelt verlagen de uitspraken opnieuw de drempel om aangifte te doen. Het ontbreken van fysiek verzet werkt niet langer tegen de aangever. Een toestemming die onder invloed van alcohol of een andere kwetsbare toestand tot stand kwam, is geen geldige toestemming. En zelfs de subjectieve goede bedoeling van de dader belet niet dat hij schuldig wordt verklaard wanneer hij behoorde te weten dat de geldigheid van de toestemming ontbrak.

Voor wie verdacht wordt verschuift de pleitstrategie fundamenteel. Een verweer dat berust op een combinatie van “zij ging mee, zij kuste, zij kleedde zich uit” volstaat sinds de hervorming niet meer, en sinds februari 2026 ook niet meer op het niveau van een hof van beroep. Wat de cliënt achteraf oprecht heeft gemeend, is hooguit relevant voor de strafmaat — niet voor de schuldvraag. De energie van de verdediging moet dus van bij de aanvang verdeeld worden over twee fronten: het objectieve feitenbeeld (welke aanwijzingen waren er op het moment zelf over de toestand van de partner?) en — als de schuldvaststelling onafwendbaar lijkt — de straftoemeting, waar de individuele omstandigheden van de cliënt wél meewegen.

Voor beide partijen geldt: het allereerste politieverhoor, onder Salduz-bijstand, blijft het moment waarop de zaak vorm krijgt. Wat daar wordt gezegd, vormt het skelet van het hele dossier. Dat is geen nieuwe waarheid, maar de uitspraken van 2025 en 2026 maken haar belangrijker dan ooit.

Tot slot

Drie jaar na de hervorming van het seksueel strafrecht is het toestemmingsbegrip niet langer alleen een wettelijke definitie. Het is een geïnterpreteerd begrip, dat door Cassatie, door het Grondwettelijk Hof en door het Hof van Beroep te Brussel telkens een verfijning heeft gekregen. Iedere strafzaak waarin de toestemming centraal staat, wordt vandaag gewikt en gewogen tegen dat geheel.

Voor cliënten die zich aan welke kant ook van zo’n dossier bevinden, is de praktische conclusie nuchter: het juridisch landschap heeft sinds 2022 sneller bewogen dan veel mensen vermoeden, en het is in 2025-2026 nog scherper geworden. Een dossier-specifieke beoordeling — door iemand die de jongste rechtspraak in die rechtspraak heeft gevolgd — is geen overdreven voorzichtigheid; zij is de minimumeis.

Scroll naar boven